Nachtzwaluw
(caprimulgus europaeus)
De Nachtzwaluw is de enige wijd verspreide nachtzwaluw. Hij wordt meestal ontdekt door zijn zang, een ver dragend, langdurig aangehouden gesnor met abrupte wisselingen in toonhoogte. Hij is zelden te horen voor 45=60 min na zonsondergang. In de vlucht lijkt hij door de lange vleugels en staart valkachtig, maar van alle roofvogels verschilt hij door de zeer korte snavel en van de juveniele Koekoek door ht ontbreken van de witte achterhoofdsvlek. Heet mannetje heeft witte toppen aan de buitenste staartpennen en opvallende witte vlekken op de drie buitenste handpennen.
De ondersoort meridionalis (Z-Europa, N-Afrika, Klein-Azië) is kleiner en iets lichter.
De ondersoort unwini (O-Irak) is grijzer en nog lichter.
Zijn roep is een zacht maar indringend kuwiek. Ook klapt hij met de vleugels als een zweepslag.
Open bossen, bosranden, gebieden met verspreide bomen, kapvlaktes, heides en halfwoestijnen.
In Nederland en België een schaarse, in aantal afnemende broedvogel. Hij trekt weg naar Afrika.
L 26-28 / SW 57-64 / B
Nest
De Nachtzwaluw zoekt gewoonlijk open plaatsen op, kaalslag, zandige plaatsen, open plekken in het bos, waar hij zijn nest heeft vaak op kleine verhevenheden in het landschap en op heidegrond die weinig begroeid is. Ze keren eind april terug uit hun overwinteringsgebied in Zuid- en Oost-Afrika en de broedtijd is van eind mei tot in augustus.
Van een nest kun je bij de Nachtzwaluw eigenlijk nauwelijks spreken. Het vrouwtje legt de 3 (zelden 3 of 4) eieren zonder enige voorbereiding op de kale grond. Zo kunnen ze zowel op een steenbodem of een zandige bodem, als tussen stukjes dood hout tussen boombast, op dennennaalden of tussen dorre bladeren gelegd worden. Vaak in de schaduw van een klein boompje of wat struikgewas. Een klein nestkuiltje ontstaat pas na enige tijd broeden. Het nest ligt meestal helemaal open, vaak waar heide en bos, zowel naald- als gemengd bos, elkaar afwisselen. Of op open met heide of varens begroeide plaatsen in het bos. In onbeboste duinen ook tussen duindoorns en ander kreupelhout.
De eieren zijn roomkleurig tot grijsachtig wit, soms naar het blauwe neigend, en hebben twee soorten vlekken. Geel- tot zwartbruine vlekjes, adertjes, halen en vegen en een grijsviolette 'ondervlekking'. Beide vogels broeden 18 dagen in totaal, waarvan het vrouwtje het grootste deel voor haar rekening neemt. De jongen verlaten de nestplaats al na 2-4 dagen na het uitkomen en verstoppen zich in de omgeving. De ontwikkeling van de jongen gaat langzaam, vermoedelijk omdat de Nachtzwaluwen slechts in de schemering op voedsel jagen. Na 17-18 dagen kunnen zij vliegen, ze kunnen zich pas na 31-34 dagen geheel zelfstandig redden. Tot dan worden zij door de oudervogels verzorgd en direct in de snavel gevoerd.
Maak jouw eigen website met JouwWeb