Tapuit
(oenanthe oenanthe)
Dit is de enige in N- en NW-Europa broedende tapuit. Het mannetje in de zomer heeft een diagnostische koppatroon met een grijze kruin, een witte wenkbrauwstreep, een zwart masker en een lichte keel, en een grijze mantel, een opvallende witte stuit en zwarte vleugels. In de winter is hij bruiner maar met een zwarte teugel. Het vrouwtje, onvolwassenen en de gevlekte juvenielen zijn ook bruiner maar missen de andere opvallende kenmerken.
De Groenlandse Tapuit (o.o. leucorhoa - Groenland, IJsland, doortrekker in W-Europa) is groter en in het voorjaar helderder gekleurd, maar veldherkenning is vaak onmogelijk.
Mannetjes en sommige vrouwtjes van de ondersoort seebohmi (N-Afrika) zijn lichter en hebben een zwart gezicht, keel en ondervleugel.
Zijn roep is een raspend tsjak-tsjak of wiet-tsjak-tsjak. Zijn zang is krassend en raspend, imiterend.
Open boomloze gebieden, toendra, berghellingen, hoogvenen, heides, duinen en graslanden.
In Nederland en België een broedvogel en doortrekker.
L 14,5-15,5 / SW 26-32 / BD
Nest
De Tapuit bouwt zijn nest altijd in holen of halfholen, tussen stenen, in rotsspleten, in holen van zand- en leemwanden, vaak ook in holen van verschillende zoogdier- of vogelsoorten, meestal laag boven of direct op de grond. Ze broeden slechts zelden in boomholtes. In Nederland ook op droge, open vlakten, heiden, duinen, zeeweringen en door aarden walletjes omgeven weilanden. Kort na aankomst nemen de oudervogels hun broedterrein in beslag en de mannetjes verdedigen dit dan tegen elke indringer.
Het grootste deel van de nestbouw wordt door het vrouwtje gedaan. De bouw wordt vooral 's morgens vroeg en in de namiddag gedaan. Het nest is slordig gebouwd en bestaat uit dorre plantenstengels, grassen en soms wat mos, blaadjes, plantenwortels, kleine takjes en stukjes naaldhout. Het heeft een diameter van ongeveer 12 cm. De nestkom meet in doorsnede tegen de 7 cm en is niet veel bijzonders, slechts ongeveer 3,5 cm diep. Het is rijkelijk gevoerd met veertjes, dorre plantenstengels en haren.
In ons gebied broedt de Tapuit slechts eenmaal per jaar, van mei (soms april) tot in juli. Onder gunstige voorwaarden of bij verlies van het broedsel broedt hij nog een tweede maal. Het vrouwtje bebroedt de 5-6, zelden 7 eieren. De eieren zijn mat lichtgroenblauw, bleek blauwwit, soms bijna totaal wit. Meestal ongevlekt, maar af en toe hebben ze fijne roest- tot donkerbruine puntjes aan het dikke einde. Na ongeveer 13-14 dagen komen de eieren uit. De jongen worden dan door de beide ouders 15 dagen lang gevoerd, voordat zij het nest verlaten. Na 19 dagen kunnen ze al vliegen maar verbergen zich bij gevaar toch nog liever tussen de stenen.
Maak jouw eigen website met JouwWeb