Spreeuw

(sturnus vulgaris)

 

De Spreeuw is een van de meest algemene Europese vogels. Hij is als een Merel met een korte staart, maar loopt veel bedrijviger en heeft een driehoekig vliegsilhouet. De adult is zwart, in broedtijd met een groene en paarse iridiserende glans en met witte vlekjes (duidelijker in de winter). De snavel is geel in de zomer, bruin in de winter. Juvenielen zijn vaal grijsbruin, met een lichtere keel en een ongevlekte borst.

De lichte veerranden en -toppen slijten gedurende de winter en het vroege voorjaar waardoor hij donkerder wordt. In gesleten zomerkleed lijkt hij in slecht licht dan ook alleen zwart, in vers geruid winterkleed echter vaak zeer opvallend gevlekt, waardoor verwarring mogelijk is met de veel grotere Notenkraker. Sommige afwijkend gekleurde juvenielen zijn net zo licht als de juveniele Roze Spreeuw.

Zijn zang is kwetterend, fluitend en imiterend, vaak in koorzang. Hij heeft ook vele andere geluiden, de bedelroep van jongen is een indringend tsjierrr.

Open bossen, gebieden met verspreide bomen, parken, tuinen, bouwland, in dorpen en steden. Ze hebben grote gemeenschappelijke slaapplaatsen in bomen, rietvelden of gebouwen. Tijdens de gewone trek en slaaptrek zie je vaak spectaculaire vliegmanoeuvres van enorme zwermen.

Hij breidt zich uit naar het zuiden en broedt nu naast de Zwarte Spreeuw in Spanje. Heeft gebroed op Tenerife (Canarische Eilanden).

In Nederland en België een zeer talrijke broedvogel, doortrekker en wintergast.

 

L 21,5 / SW 37-42 / BJ

Nest

 

De Spreeuw broedt zowel in boomholten als in gebouwen, onder strodaken in muurspleten en onder daklijsten. Het mannetje zoekt de nestholte uit en moet er vaak met andere vogels hard om vechten.

Het mannetje bouwt de onderlaag van het nest dat met medewerking van het vrouwtje verder afgemaakt wordt. De onderbouw bestaat uit grof stro, grashalmen, vaak ook takjes, fijnere halmen en veren. Ook het mannetje draagt het bouwmateriaal aan. De bekleding bevat vaak verse bloemen of bloesems.

In de periode van half april tot begin mei legt het vrouwtje het eerste legsel, die bestaat uit 5-6, vaak ook 8-9 eieren. Een klein deel broedt in juni voor de tweede keer. Jonge vrouwtjes leggen minder eieren. De eieren zijn licht groenblauw en ongevlekt en hebben een gladde schaal, bij uitzondering zijn ze zwak roodbruin gespikkeld. 's Nachts broedt het vrouwtje alleen, overdag wordt ze wel door het mannetje afgelost. De jongen komen na 14 dagen uit en worden door beide ouders gevoerd. Ze groeien zeer snel, zodat ze na 13 dagen reeds het benodigde gewicht hebben bereikt om het verdere verenkleed te krijgen. In deze tijd worden ze al niet meer in de nestholte gevoerd. Ze steken de snavel uit het vlieggat en ontvangen zo het voedsel van de ouders. Als ze 18-21 dagen oud zijn verlaten ze het nest. De oudervogels schenken nog enkele dagen aandacht aan de jongen totdat zij zich in grote troepen verzamelen en hun voedsel zelf gaan zoeken.

Maak jouw eigen website met JouwWeb