Keep

(fringilla montifringilla)

 

Het adult mannetje in de zomer is makkelijk te herkennen aan de zwarte kop en mantel en de oranjebruine borst. Het kleed is variabel, soms zelfs met een zwarte keel. In de winter lijkt hij meer op het vrouwtje c.q. onvolwassenen, het zwart verborgen onder de bruine veerranden. De snavel van het mannetje verandert in het voorjaar van geel tot blauwzwart. Hij is te onderscheiden van de Vink, waarmee hij vaak samen in groepen is, door de witte stuit (opvallend bij het wegvliegen) en de oranjebruine borst en schouder.

Zijn zang is een langgerekt nasaal dzwie, lijkend op die van de Groenling. Zijn roep is een kenmerkend nasaal kèèp of kjèèp, in de vlucht tjuuk-tjuuk (lijkend op die van de Vink).

Berkenbossen en wilgenstruwelen in taiga. In de winter foerageert hij op akkers en in bossen op beukennoten.

In Nederland en België een talrijke doortrekker en wintergast. Enkele overzomeren en broeden incidenteel.

 

L 14,5 / SW 25-26 / bJ