Zanglijster

(turdus philomelos)

 

Dit is de meest algemene gevlekte lijster. De geslachten zijn gelijk. Juvenielen zijn ook op de bovendelen geelbruin gevlekt. Hij verschilt van de grotere Grote Lijster door het ontbreken van wit in de staart, en de kleinere en langwerperige vlekken op de onderdelen. Hij verschilt van de kleinere Koperwiek door het ontbreken van de wenkbrauwstreep en de lichtere flanken, van het vrouwtje, onvolwassen en juveniele Merel door de veel opvallendere vlekken op de lichte borst. Hij verschilt van alledrie door de geelbruine ondervleugel.

De bovendelen van de ondersoort philomelos (Europa) hebben een grijzige waas.

De bovendelen van de ondersoorten clarkei (Groot-Brittannië en Ierland, W-Europese kust) zijn warm bruin.

De bovendelen van de ondersoort hebridensis (Hybriden, Skye) zijn donkerder bruin.

Zijn zang is luid en helder, soms imiterend, met kenmerkende herhalingen en motieven. Zijn vluchtroep is een kort zacht tsip, ook een dun Koperwiekachtig siep, en tsjiek bij alarm (hoger dan die van de Merel).

Zijn vlucht is rechter dan die van de Grote Lijster. Hij hipt, loopt en rent, tijdens het foerageren stilstaand met een schuin gehouden kop, luisterend naar wormen.

Bossen, tuinen, parken, boomgaarden, bij bouwland. In C- en W-Europa talrijk in buitenwijken van steden.

In Nederland en België een talrijke broedvogel, doortrekker en wintergast.

 

L 23 / SW 33-36 / BJ

Nest

 

De Zanglijster bouwt zijn nest in dichte plantenbegroeiingen en vermijden daarom droge bossen zonder ondergroei. Meestal bouwt hij het nest aan de stam van een jong naaldboompje, of in heggen, heesters of struiken en in  klimplanten, in elk geval zo dat het nest goed verstopt is. Het ligt 1-3 m hoog, zelden hoger. In steden kan het zelfs tegen gebouwen aan gebouwd worden.

Het nest is stevig, diep en goed gebouwd van grassen en worteldraden, terwijl in de bodem vaak mossen, takjes en dorre bladeren zijn verwerkt. De bovenrand is meestal wat naar binnen omgebogen en in tegenstelling tot andere lijstersoorten wordt de diepe nestholte bestreken met een gladde laag van met speeksel vermengd vermolmd hout, soms wit mos of mest, modder uit dakgoten en aarde. Nadat het opgedroogd is ontstaat een vaste gladde wand. Het nest heeft een doorsnede van 10-18 cm, de doorsnede van de nestkom is 9-11 cm, de diepte is 6-7,5 cm, de hoogte van het gehele nest is 8-11,5 cm.

De broedtijd is van eind maart tot in augustus, het eerst broedsel in april-mei, het tweede broedsel in juni-juli. Het legsel bevat meestal 4-6 eieren. Deze zijn blauw, soms enigszins naar het groene trekkend, spaarzaam getekend met meest aan het dikke einde staande, zwarte, paarbruine of, bij uitzondering, roodbruine vlekken en vlekjes. Soms zie je een zwak haarlijntje of streepje. Dieper liggende vlekking schijnt af en toe lilakleurig door. Ongevlekte en heel zwak getekende eieren komen ook voor. Het vrouwtje bouwt niet alleen het nest maar ook de broedplicht komt geheel voor haar rekening. Bij het leggen van het laatste ei begint zij met broeden dat 12-14 dagen duurt. De jongen worden door beide ouders gevoerd en verlaten het nest na 12-14 dagen, ze kunnen dan nog niet goed vliegen.