Kauw

(corvus monedula)

 

De Kauw is duidelijk kleiner dan de Zwarte Kraai en heeft een grijs achterhoofd en een witte iris.

Zijn geluiden zijn hoger dan die van andere kraaien. Een afgeknepen metalig kauw of kjauw en een zachter metalig tjak, vaak enige malen herhaald met een 'beurtelings' effect.

Zijn vlucht en bewegingen op de grond zijn onrustiger en sneller dan die van andere kraaien.

Kliffen aan de kust, parklandschappen, bouwland, dorpen en steden (vaak rond kerken, kastelen en ruïnes). Hij nestelt in boomholen, rotsspleten of gebouwen.

In Nederland en België een talrijke standvogel.

 

L 33 / SW 67-74 / BJ

Nest

 

De Kauw broedt in holten of halfholen. Hij vermijdt daarbij dichte, uitgestrekte bosgebieden. Op geschikte plekken ontstaan kolonies. Oorspronkelijk nestelen ze in rotsen en oude, holle bomen, maar tegenwoordig ook in hoge gebouwen, ruïnes, schoorstenen, torens en zand- en leemholen, soms zelfs in konijnenholen en eendenkorven. Een enkele maal vrij in de bomen en dan meestal in Roekenkolonies. Vrijstaande nesten hebben af en toe een kap (met zijingang). In zand- en leemwanden worden de holen zelf uitgegraven. Ook maken ze gebruik van nesten van andere vogels.

Hij nestmateriaal is ook zeer verschillend. Het bestaat uit takken en twijgen, vermengd met aarde en gevoerd met plantenwortels, gedroogd gras, mos, stro, dorre bladeren en ook wel met haar, wol, vodden en soms met veren. De fijnere materialen worden vooral voor de nestkom gebruikt.

Hij broedt maar eenmaal per jaar, maar vervangt bij verlies het oude legsel voor een nieuw. In maart (soms al in februari) wordt met het broeden begonnen, dat tot in mei voortduurt. Het legsel bevat 5-6 eieren, die op een lichte, groenblauwe of grijsgroene ondergrond, verhoudingsgewijs met wat onsamenhangender grijze tot grijsbruine vlekken zijn bezet. Aan de stompe pool liggen de vlekken vaak wat dichter bij elkaar. Het vrouwtje begint met broeden voordat het laatste ei is gelegd. Zij heeft waarschijnlijk het grootste aandeel in het broeden, wat 16-19 dagen duurt. De jongen worden ongeveer een maand in het nest gevoerd en kunnen in de 5e week vliegen. De ouders dragen het voedsel in de krop mee en voeren nog korte tijd na het uitvliegen.