Kleine Karekiet
(acrocephalus scirpaceus)
De Kleine Karekiet verschilt van de Bosrietzanger en de Struikrietzanger voornamelijk door de meestal roodbruine bovendelen, vooral op de stuit, en vooral bij juvenielen.
Het beste verschil is de zang, herhalende monotone en afzonderlijke motiefjes, kerre-kerre-triet-triet-triettjerruk-tjerruk, maar zonder afwisseling met krassende uithalen, vaak imiterend. Vaak zingend bovenin een rietstengel, ook 's nachts.
Voornamelijk rietvelden in moerassen en rietkragen langs zoetwater.
In Nederland en België een talrijke broedvogel en doortrekker.
L 12,5/ SW 17-21 / BD
Nest
De Kleine Karekiet nestelt in kleine plekjes die met riet begroeid zijn aan de oevers van meren, plasjes, kolken, poelen en rivierarmen waar hij zijn typisch, cilindrisch, diep en stevig gebouwd nest van grassen en rietbladeren in het riet gevlochten heeft. Hij begint pas met bouwen van het nest als het riet al voldoende uitgegroeid is. De hoogte boven het water varieert tussen 20-100 cm. Ook komen nesten voor in waterwilgen of elzen, die zich soms boven de droge grond bevinden. In een takgaffel missen zij meestal hun cilindervorm.
Het vrouwtje bouwt alleen aan het nest en wordt door het mannetje vergezeld. Het grondmateriaal bestaat uit dunne, smalle bladeren van waterplanten, die het vrouwtje om 3-6 dichtbijeenstaande rietstengels vlecht. De nestkom is zeer diep en de rand van een nieuw gebouwd nest is een beetje naar binnen gebogen. Hierdoor vallen de eieren bij sterke wind en heftig zwaaien van het riet niet uit het nest. Van binnen is het nest gevoerd met rietbladeren, plantenpluis, vaak met spinnenweb en zelden met haren. Na 5-6 dagen is de bouw helemaal klaar. Het nest heeft een diameter van 7,5-8 cm, een hoogte van 5-7 cm en de nestkom is ongeveer 4-5 cm diep.
Hij broedt eenmaal, soms tweemaal per jaar, in de tijd van mei tot juli. Het vrouwtje legt meestal 4-5 eieren, zelden 1 meer of minder. De eieren zijn wit, grijsachtig wit of groenachtig grijs, meer of minder dicht getekend en gemarmerd met kleine en grotere lichtolijfgroene tot donkerolijfbruine vlekjes, die aan de stompe pool een kras of kap vormen. Vaak duiken er tussen de olijfbruine vlekken ook kleine zwarte punten op. Beide ouders broeden 11-12 dagen en beginnen waarschijnlijk daarmee nadat het laatste ei is gelegd. Beiden voeren de jongen, waarbij het mannetje vaak het voedsel overgeeft aan het vrouwtje, die dan de jongen alleen voert. Na 9-13 dagen verlaten de jongen het nest. Ze kunnen nog niet vliegen, maar kunnen zich goed tussen de rietstengels voortbewegen.
Maak jouw eigen website met JouwWeb