Koperwiek

(turdus iliacus)

 

De Koperwiek is de kleinste van de algemene lijsters. Hij is donkerder en slanker dan de meeste Zanglijsters. Hij is makkelijk te herkennen aan de witte of roomkleurige wenkbrauwstreep en de steenrode flanken en ondervleugeldekveren. De geslachten zijn gelijk. Juvenielen zijn minder rood.

Zijn zang is rollend en herhalend, maar korter en fluitender dan die van de Zanglijster. Hij heeft dikwijls een babbelende subzang, ook van trekkende of overwinterende groepen in het vroege voorjaar. Zijn roep in de vlucht is een hoog tsieh, vaak tijdens de trekperiode 's nachts in de lucht te horen. Ook een zacht tsjuk en een scherper tsjit-tik-tik of tsjittuk.

Zijn vlucht is sneller dan die van de Zanglijster.

Bossen, vooral met berken, gebieden met verspreide bomen en struiken, soms ook parken en tuinen. In de winter vaak op graslanden.

In Nederland en België een talrijke doortrekker en wintergast.

 

L 21 / SW 33-34,5 / DW