Appelvink
(coccothraustes coccothraustes)
Dit is een zeer grote vink met een dikke kop en snavel (grijsblauw in de zomer, geelachtig in de winter), waarmee harde zaden worden gekraakt. Het verenkleed is voornamelijk kastanjebruin, met een zwarte keel en vleugels. In de golvende vlucht zijn de korte staart en de witte vleugelstrepen opvallend. De geslachten zijn gelijk, het vrouwtje wat valer. Juvenielen hebben een geelachtige snavel en keel en hebben een schubtekening.
Sommige zuidelijke vogels zijn zeer licht, in N-Afrika grijzer.
Hij is schuw en wordt meestal ontdekt aan de kenmerkende roep van een hoog overvliegende vogel, een kort tzik (als een Roodborst). Ook heeft hij een vrij hoog, sissend tssiep. Zijn zwakke, fluitende, Goudvinkachtige zang laat hij zelden horen.
Loofbossen, gebieden met verspreide bomen, grote tuinen en boomgaarden.
In Nederland en België een talrijke broedvogel, vooral in het oosten.
L 18 / SW 29-33 / BJ
Maak jouw eigen website met JouwWeb