Koekoek

(cuculus canorus)

 

De grijze adult lijkt oppervlakkig op de Sperwer, maar heeft een trapvormige staart met witgepunte staartpennen, puntige vleugels en een niet-gehoekte snavel. Het adult-vrouwtje is soms roodbruin met een donkere bandering. Juvenielen zijn grijs of roodbruin met een opvallende witte achterhoofdsvlek. De aanvankelijk onvolgroeide vleugels zijn rond.

De zang van het mannetje is het bekende koe-koek, soms koe-koe-koek, het vrouwtje heeft een trillende, bubbelende roep. Beide maken ook opgewonden kuchende en benauwde geluiden. 

Hij heeft een kenmerkende vlucht met een lage opgaande en diepe neergaande vleugelslag.

Allerlei biotopen: toendra, hoogvenen, heides, bosgebieden, bouwland, parken, duinen, kwelders.

Hij is een broedparasiet van de Graspieper, Kleine Karekiet, Heggemus en andere kleine zangvogels.

In Nederland en België een algemene 'broedvogel'. De adulten arriveren vanaf eind april en trekken eerder (juli-augustus) weg dan juvenielen (half september).

 

L 32-34 / SW 55-60 / B