Fluiter

(phylloscopus sibilatrix)

 

De Fluiter is een grote boszanger. Zijn borst en wenkbrauwstreep is heldergeel, de onderdelen zijn wit. Hij verschilt van de beide groengele spotvogels door de kortere snavel, de geelbruine poten en de witte buik. 

Zijn zang is een lange versnellende triller ('naaimachine'), vaak gevolgd of voorafgegaan door een helder pjuu-pjuu-pjuu-pjuu.

Bosgebieden, vooral beukenbossen.

In Nederland en België een vrij talrijke broedvogel, en doortrekker.

 

L 12,5 / SW 19,5-24 / BD

Nest

 

De Fluiter nestelt in begroeiing van beuken met sparren of dennen zolang daar een voldoende dichte bovenbegroeiing is. In enkele gebieden in Europa ook in parkachtige bossen van loof- en naaldhout en in N-Duitsland zelfs in dennenbossen.  In Nederland broedt hij in droge zandige bossen met hoog geboomte en weinig ondergroei. Kort na de terugkeer uit de wintergebieden en na de paring zoekt het vrouwtje een geschikte plaats om te nestelen en begint met de nestbouw. Zijn nest maakt een minder slordige indruk dan de nesten van andere loofzangers en is meestal niet zo goed verstopt. Het ligt vaak ergens in een holte in laag gras, in afgevallen bladeren of in heide en tussen bosbessen.

Als grove grondlaag van het bolvormige nest gebruikt hij droge halmen en bladeren, onder andere van dode varens. Binnenin worden fijnere materialen gebruikt. Daarvoor gebruikt hij mos, korstmos, fijn halmpjes en zelden wat haar of veertjes. Het vlieggat kan naar alle richtingen wijzen. Bij de bouw van het nest, die 2-3 dagen duurt, begeleidt het mannetje het vrouwtje weliswaar heel ijverig, maar hij bouwt zelf niet mee.

In de periode van mei tot juni legt het vrouwtje met tussenpozen van een dag 6-7 eieren. Deze zijn dof wit, met dicht opeenstaande, kleine en grotere donker-paarsbruine vlekjes die soms een krans vormen aan het stompe einde. De vlekjes kunnen soms van roestbruin tot donkerbruin zijn, terwijl de 'ondervlekken' grijsviolet zijn. Het vrouwtje begint meestal na het leggen van het vierde ei met broeden. De broedtijd duurt 13-14 dagen. Ook in deze tijd moet zij zichzelf verzorgen. De eerste dagen na het uitkomen worden de jongen voornamelijk door het mannetje gevoerd, het aandeel van het vrouwtje hierin wordt geleidelijk groter, zodat voor het uitvliegen van de jongen deze weer helemaal door haal alleen worden gevoerd.

Maak jouw eigen website met JouwWeb