Zilvermeeuw
(larus argentatus)
Dit is de algemeenste grote meeuw. De grootte is variabel (mannetjes zijn groter), evenals de mantelkleur (licht tot leigrijs). Hij heeft een asgrijze kopstreping in de winter. Hij heeft een gele iris en een gele snavel met een rode vlek. De poten zijn meestal roze. Juvenielen zijn niet te onderscheiden van de Kleine Mantelmeeuw. Onvolwassenen zijn donkerder en hebben een dunnere snavel dan de Grote Mantelmeeuw. Juvenielen en onvolwassenen in de vlucht hebben lichte binnenste handpennen (zijn alle donker bij de juveniele of onvolwassen Kleine Mantelmeeuw).
De ondersoort argenteus (IJsland, W-Europa) heeft een zilvergrijze mantel. Is een broedvogel in Nederland en België.
De iets grotere ondersoort argentatus (Scandinavië) is iets donkerder op de mantel. Vanaf het najaar in Nederland en België.
De ondersoort omissus (NO-Europa vanaf het O-Baltische gebied) heeft de lichtste mantel en gele poten (net als sommige argentatus-soorten in Noorwegen.
Hybriden tussen de Zilvermeeuw en de Grote Burgemeester komen veelvuldig voor in IJsland. af en toe in W-Europa, vooral Groot-Brittannië.
Zijn vlucht is krachtig, doelgericht, vaak zweef- en glijvluchten.
Hij heeft vele klagende geluiden, vooral kieauw en een echoënd gha-gha-gha.
Broedkolonies op kliffen en gebouwen, of op de grond in duinen en hoogvenen.
In Nederland en België het gehele jaar aanwezig.
L 52-60 / SW 137-142 / BJ
Nest
De Zilvermeeuw broedt in soms grote kolonies langs steile zeekusten en op rotsige, vlakke en zandige oevers, die kaal of begroeid kunnen zijn. Sommige kolonies bestaan vaak uit honderden paren, soms ook met Kleine Mantelmeeuwen, maar ook alleen broedende paren zijn geen uitzondering.
Aan de nestbouw gaat een interessante balts vooraf, die ook tijdens het broeden wordt voortgezet. Beide partners houden zich met de bouw van het nest bezig. Het nest is een in de bodem gekrabd kuiltje waarin een dikke laag van grof plantaardig materiaal wordt gebracht, zoals stro, ruwe grassen, zeewier, helm en dergelijke. Nieuwe nesten worden gebouwd of oude van het vorige jaar opgelapt. Ze hebben daarvoor ongeveer 3 dagen nodig, waarbij ze het benodigde materiaal uit de omgeving halen. Het nest heeft een middellijn van 50-70 cm, een hoogte van 27 cm en de met veren beklede nestkom is 25 cm breed. Het nest ligt of geheel vrij of temidden en onder bescherming van de plaatselijke vegetatie of tussen aangespoelde voorwerpen.
Het vrouwtje legt soms al vanaf eind april, maar meestal van mei tot in juli 3, minder vaak 2 of 4 eieren, die zeer gevarieerd van kleur zijn. Deze schommelt van olijfkleurig groen tot donkerbruin in diverse nuances met rood- tot zwartbruine oppervlaktevlekken en vegen, die meestal gelijk over de gehele schaal verdeeld zijn, maar soms neiging tot kransvorming aan de stompe pool hebben. De broedtijd, waarin de oudervogels elkaar aflossen, duurt gemiddeld 27 dagen. De jongen komen met tussenpozen van 1-2 dagen uit en zoeken tegen teveel zonnestralen en slecht weer beschutting tussen de begroeiing. Na 6 weken beginnen de jongen te vliegen.
Maak jouw eigen website met JouwWeb