Alk

(alca torda)

 

De Alk heeft een dikke maar zijdelings afgeplatte snavel met een witte verticale lijn, uniek onder de zeevogels. Bij de onvolwassenen is de snavel minder dik, bij de juvenielen veel minder dik. In de zomer is de gehele kop en hals zwart behalve de witte lijn tussen de snavel en het oog. De adult-winter en onvolwassenen hebben een witte keel, onderwang en zijhals. Juvenielen hebben in de winter een donkerbruine kop en hals.

De roep van juvenielen is een schrille fluittoon.

In de vlucht is hij minder gebocheld en met meer wit aan de stuitzijden dan de Zeekoet.

Hij broedt op zeekliffen in losse groepen, niet in rijen. Ze leggen 1 ovaal ei in een holte.

In Nederland en België het hele jaar in kleine aantallen langs de kust, vooral in het najaar en de winter.

 

L 37-39 / SW 63-68 / J

Nest

 

De Alk keert elk jaar in de broedtijd terug naar zijn eigen bekende 'vogelberg', waar tot duizenden vogels dicht bij elkaar leven en nestelen. Dat zijn meestal steile, rotsachtige eilanden of klippen. Hier leeft de Alk vaak samen met Papegaaiduikers, Zeekoeten of meeuwensoorten. Ze vormen echter kleine afgesloten groepen aan de randen van de kolonies van die vogels. Vaak nestelen ze ook in afzonderlijke paren, zo'n 50-100 m van elkaar verwijderd. Zodra de weersomstandigheden het toelaten zoeken ze broedplaatsen weer op.

Ze nestelen vaak op de naakte rotsbodem of op de grond, gewoonlijk in een holte of een spleet of achter een richel en niet zoals de Zeekoet op de vlakke rand van de kliffen. Vrij om het ei heen worden soms wat halmen of steentjes gelegd.

Ze hebben 1 broedsel per jaar. Het vrouwtje legt in de periode tussen mei en juni 1 enkel 'eivormig' ei. Het ene ei heeft verhoudingsgewijs een grote schaal, is glansloos en ruwschalig en is in kleur zeer variabel. Het kan variëren van wit tot licht roodbruin, bij uitzondering groenachtig. De vlektekening bestaat uit meer of minder dicht bijeenstaande kleine en grotere vlekken, halen en vegen van rood- tot zwertbruin, soms gelijkmatig verdeeld, soms alleen aan het stompe einde waar zij vaak neiging hebben tot ringvorming. Beide oudervogels broeden gedurende de broedtijd van 26-35 dagen. Het jong heeft 2 tot 3 dagen nodig om uit het ei te komen. Als ze ongeveer 19-20 dagen oud zijn, zijn ze nog niet geheel bevederd en hebben nog onontwikkelde slagpennen. Ze kunnen dus nog niet vliegen, maar verlaten het nest en komen fladderend, glijdend en springend naar beneden en gaan meteen met de ouders de zee op. De jongen kunnen goed duiken en zoeken hun voedsel zelf.

Maak jouw eigen website met JouwWeb