lutea
flavissima
beema
flava
iberiae
cinereocapilla
thunbergi
pygmaea
feldegg
Gele Kwikstaart
(motacilla flava)
Dit is de kleinste, meest pieperachtige kwikstaart, met een kortere staart dan de Witte en de Grote Gele Kwikstaart. Hij is opvallend geel van onder, donker of licht groenbruin van boven. Witachtige individuen met zeer weinig (of geen) geel komen voor.
Er zijn een groot aantal ondersoorten, voornamelijk gebaseerd op verschillen in koppatroon van het adult-zomer mannetje.
De ondersoort lutea in de benedenloop van de Wolga.
De ondersoort flavissima in Groot-Brittannië en lokaal in kustgebieden van NW-Europa.
De ondersoort beema in Oekraïne.
De ondersoort flava in Z-Scandinavië en C-Europa.
De ondersoort iberiae in ZW-Frankrijk, het Iberisch Schiereiland en NW-Afrika.
De ondersoort cinereocapilla in Italië en Slovenië.
De ondersoort thunbergi in Scandinavië en N-Rusland.
De ondersoort pygmaea in Egypte.
De ondersoort feldegg in de Balkan, de Zwarte Zee en het Midden-Oosten.
Zijn roep is tswiep, duidelijk verschillend van andere kwikstaarten. Zijn korte, trillende, haast roodborstachtige zang wordt weinig gehoord, in een diep golvende zangvlucht of vanaf een zangpost.
Natte en droge graslanden, vaak bij vee, bouwland, kwelders. Tijdens de trek ook bij zoetwater.
In Nederland en België een talrijke broedvogel en doortrekker.
L 17 / SW 23-27 / BD
Nest
In ons land is de Gele Kwikstaart een broedvogel van niet al te droge hooi-, wei- en bouwland. Vaak ook op plaatsen waar enkele boompjes of struiken groeien, in elk geval een wat hogere begroeiing. De mannetjes keren in het voorjaar iets eerder terug en kiezen een broedterritorium. Hierin bouwt later het vrouwtje, begeleid door het mannetje, het nest. Hij ligt meestal in een kuiltje of temidden van vegetatie verborgen in een grasbundel onder een polletje, vaak ook in graanvelden, in klavervelden en zelfs in aardappelvelden. Als er in het vlakke land ergens heuveltjes, sloten, straat- of spoorwegen voorkomen, bouwen ze graag het nest aan de rand ervan.
Het nest is een stevig bouwsel bestaande uit allerlei plantenstengels en in elkaar gevlochten grassen en de nestkom is met haren, wol en vaak ook met veertjes gevoerd.
Ze leggen hun eieren in de periode van mei tot juni. Ook latere broedsels komen voor. Het legsel bestaat uit 4-6 eieren. Deze zijn grijs- tot geelwit, soms grijsbruin, en vrijwel steeds geheel en gelijkmatig bedekt met fijne bruingrijze vlekjes en aan het stompe eind soms met zwarte haarlijntjes. De grondkleur is dus vaak geheel bedekt. Het vrouwtje begint na het leggen van het laatste ei met broeden. Ze broedt alleen 13-16 dagen. De jongen worden door beide ouders gevoerd en verlaten na 13 dagen het nest. De eerste 4-5 dagen kunnen zij nog maar korte stukjes vliegen.
Maak jouw eigen website met JouwWeb