Steenuil

(athene noctua)

 

Dit is de meest bekende uil. Dat komt doordat hij gedeeltelijk overdag actief is, door zijn open biotoop en zijn opvallende golvende vlucht. Hij is grijzer bruin en heeft een kortere staart dan de Ruigpootuil.

Er is een geografische en individuele variatie in kleur. In Europa donker, roodbruin of licht, van Sinaï tot Syrië heel licht, in Z-Irak iets donkerder, in N-Afrika nog donkerder.

Zijn roep is een luid kieuw, zijn zang een opvallend Wulpachtig fluitend wuuup. Juvenielen hebben een schril aanhoudend gepiep.

Vaak zit hij op uitkijkposten. Hij beweegt dan veelvuldig zijn kop op en neer en heen en weer, of hij draait hem over 180 gr. Hij vliegt vaak 's nachts of jaagt in het schemer, biddend op zoek naar insekten. Overdag vliegt hij vaak over korte afstanden. De afwisseling van snelle vleugelslagen en het gesloten houden van de vleugels veroorzaakt een diep golvende vlucht. Hij loopt makkelijk over de grond, hippend als een Roodborst met rechte houding.

Open landschappen met verspreide bomen, bouwland, open bossen, boomgaarden, palmbosjes, duinen, halfwoestijnen en andere boomloze maar rotsige gebieden.

In Nederland en België een vrij talrijke broedvogel. Een standvogel. Achteruitgaand in een groot deel van Europa.

 

L 21-23 / SW 54-58 / BJ

Nest

 

De Steenuil nestelt in de omgeving van oude lanen, buitenplaatsen, oude boerderijen, vooral daar waar ook oude fruit- of andere loofbomen groeien, langs grote rivieren waar zij onder andere veel broeden in knotwilgen, wat verwaarloosde hoekjes en plaatsen met steile rots-, zand- of leemwanden, waarin zich spleten en holen bevinden. Grote bosgebieden worden gemeden. Vaak zoekt hij de nabijheid van rustige dorpjes, gehuchten, afgelegen verwaarloosde schuren, stallen, oude werkobjecten of torens, kerken en ruïnes op.

De Steenuil maakt geen nest. Het vrouwtje legt begin april tot eind mei 4-5, bij uitzondering tot 8 eieren in de holte van een boom op 3-4 meter hoogte of ergens achter de balken onder een dak van een verlaten gebouw, in de holte van een zandsteenwand of in bijzondere gevallen, als geen andere gunstige nestplaats aanwezig is, in een konijnenhol of in een hol van een ander dier. Nestmateriaal ontbreekt, als onderlaag voor de eieren dienen hoogstens enkele veertjes. 

Een paartje heeft slechts 1 legsel per jaar, zelden twee. De eieren zijn kalkwit, zonder glans, breed elliptisch tot rond en fijnkorrelig. Het vrouwtje begint waarschijnlijk pas met broeden nadat het laatste ei is gelegd en broedt alleen 28-29 dagen lang op het legsel. Beide ouders nemen deel aan het voeren van de jongen. Ook overdag brengen zijn wel voedsel. de jongen verblijven 4-5 weken in de nestholte en kunnen pas na 5 weken vliegen.