Zwarte Roodstaart
(phoenicurus ochruros)
Het mannetje in de zomer is vrijwel geheel zwart en donkergrijs (grijzer bij een jong mannetje en in de winter) behalve de roodbruine staart en de witte vleugelvlek (het grootst bij oude mannetjes). Het vrouwtje en de gevlekte juvenielen zijn donkerder grijsbruin dan bij de Gekraagde Roodstaart, vooral op de onderzijde.
Mannetjes in de zomer van de ondersoort gibraltariensis (Europa) hierboven beschreven.
Mannetjes van de ondersoort aterrimus (Z-Iberisch Schiereiland) zijn gemiddeld zwarter en hebben een wittere vleugelvlek.
Mannetjes van de ondersoort ochruros (Kaukasus-gebied) zijn variabel, soms met vrij veel rood op de onderdelen.
Mannetjes van de ondersoort phoenicuroides (NO-Iran) zijn kastanjerood op de onderdelen, scherp gescheiden van de zwarte borst.
Mannetjes van de ondersoort semirufus (Levant) als de phoenicuroides maar zwarter op de bovendelen.
Zijn zang is een staccato gebabbel wat eindigt in een karakteristiek geknars als van langs elkaar bewogen kiezelstenen. Zijn roep is tsip of tik en tuk-tuk.
Rotsige bergen en heuvelgebieden, kliffen, maar ook dorpen en steden.
In Nederland en België een broedvogel en doortrekker, hij overwintert in klein aantal.
L 14,5 / SW 23-26 / BJ
Nest
De Zwarte Roodstaart broedt in Nederland bij steenfabrieken, fabrieksterreinen, spoorwegemplacementen, scheepswerven, kerken, grote gebouwen, nieuwe en oude stadswijken. Per populatie is de plaats van het nest verschillend. Eerst voornamelijk rotsspleten, kloven en dergelijke, de 'gecultiveerde' Zwarte Roodstaart liever ergens in een donkere hoek onder een dak, een gat of nis in een muur, ruïnes, balkons, schuurtjes, opslagplaatsen voor de bouw pannen- en steenfabrieken en dergelijke. Het nest bevindt zich in een halfholte.
Het nest kan plat en hoog zijn. Over het algemeen is het een slordig hoopje dat uit droge grassen, plantenstengels en worteldraden bestaat. De nestkom is met wol, haren en vaak ook met veertjes gevoerd.
Ze nestelen tweemaal per jaar, van april tot in juli. De eieren zijn volkomen wit, glanzend, vaak met een zwakke blauwe ondergrond en soms met enkele fijne roestbruine puntjes of vlekjes. Het legsel bevat meestal 5-6 eieren. Het vrouwtje bouwt en broedt alleen. De jongen komen na 13-14 dagen uit en worden 12-16 dagen door beide ouders gevoerd. Ze verlaten het nest nog voordat zij goed kunnen vliegen en houden zich nog lang onder de hoede van hun ouders in de omgeving op.
Maak jouw eigen website met JouwWeb