Koolmees

(parus major)

 

Dit is een grote mees, makkelijk herkenbaar aan de zwarte kop met een geelgroen achterhoofd en witte wangen en een zwarte keel doorlopend in een zwarte middensteep op de gele onderdelen. De streep is breed bij het mannetje, smal bij het vrouwtje. Bij juvenielen zijn de donkere delen bruinachtig en de witte delen geelachtig. 

De ondersoort major in W- en C-Europa.

De ondersoort aphrodite (Z-Italië, Z-Griekenland, Cyprus) is lichter.

De ondersoort excelsus (NW-Afrika) is helderder en dieper geel.

Zijn geluiden zijn zeer gevarieerd, o.a. ook een sterk op die van de Vink lijkend pink. Zijn zang is variabel, maar meestal een reeks herhaalde dubbel- of drietonen, bv. tie-tie-tu of twiet-iet.

Bossen, parken, tuinen, boomgaarden en andere biotopen met bomen en struiken.

In Nederland en België een zeer talrijke standvogel.

 

L 14 / SW 22,5-25,5 / BJ

Nest

 

De Koolmees nestelt in loof-, gemengd en naaldhout en schuwt de nabijheid van de mens niet. Als broedplaats kiest hij het liefst boomholtes, maar neemt in nood ook genoegen met gaten in muren, rotsspleten, bijenkorven, lege conservenblikjes, spechtengaten, brievenbussen, pijpen van IJsvogels en Oeverzwaluwen, in opgestapelde draineerbuizen, in hekpaaltjes, vergaarbakken en afvoerpijpen van regenwater en in de onderbouw van verlaten nesten van grote vogels. In Nederland bewonen zij het grootste deel van de opgehangen nestkastjes. Vrijstaande nesten komen ook voor. Het vrouwtje kiest de nestplaats uit. Ze wordt daarbij door het mannetje begeleid.

Het nest wordt door het vrouwtje alleen uit mos, plantenwortels, halmen en korstmos gebouwd. De nestkom is gevoerd met haren, vruchtpluizen, wol en veertjes. Het nest is vaak een reusachtig bouwwerk dat de hele holte vult. De diameter van de nestkom is 7-8 cm en hij is 3-4 cm diep.

Ze broeden tweemaal per jaar, van midden april tot in juli. Het legsel is zeer omvangrijk en bevat gewoonlijk 8-12 eieren, in uitzonderingsgevallen tot 18 eieren toe. Deze zijn wit, meer of minder dicht getekend met fijne en grovere, licht- tot donkerroodbruine vlekken en vlekjes, die soms aan de stompe pool een krans vormen. Vaak hebben ze violette 'ondervlekken'. Het vrouwtje broedt alleen en gaat in de regel pas broeden als alle eieren zijn gelegd. Als ze het nest verlaat, bedekt ze de eieren met nestmateriaal, zoals ook de andere mezensoorten doen. De broedtijd is 13-14 dagen De oudervogels voeren beide zeer vlijtig. dit kan in de laatste dagen voor het uitvliegen tot wel 800 voerderbeurten leiden. De jongen blijven 15-21 dagen in het nest. 

Maak jouw eigen website met JouwWeb