Meerkoet

(fulica atra)

 

De Meerkoet is gedrongener en ronder dan eenden. Het is de enige watervogel met een witte snavel en voorhoofd. In de vlucht is de smalle witte vleugelachterrand te zien. De poten zijn groenachtig, de tenen gelobd. Juvenielen hebben een witte kop en hals.

Zijn roep is een luid en hoog kauwk of kiewk en een scherp piet.

In de winter is hij in grote groepen. Ze achtervolgen elkaar of andere watervogels veelvuldig. Hij duikt meer dan de Waterhoen en heeft eenzelfde manier van opstijgen, met een watertrappelende aanloop.

Zoetwater met begroeide oevers, hij graast vaak op aan het water grenzende graslanden. In de winter ook op estuaria.

In Nederland en België het gehele jaar talrijk.

 

L 36-38 / SW 70-80 / BJ

Nest

 

Het nest van de Meerkoet ligt in tegenstelling tot dat van het Waterhoen steeds zodanig dat het een vrije toegang tot het open water heeft en is zelden op het vaste land gebouwd. Een enkele keer in weilanden of op het veld enkele meters van het water. In de omgeving van het nest maakt hij soms nog andere kleine nesten, die de jongen later, als zij het nest verlaten, als rustplaats kunnen gebruiken.

Het eigenlijke nest is 15-20 cm hoog en bestaat uit riet-, biezen-, lisdoddestengels en dergelijke, al naar gelang de plaats van het nest. Het nest wordt gebouwd op drijftillen of tussen waterplanten op een onderlaag van overjarige stoppels, soms ook op de vaste bodem in een zegge- of rietgraspol of op de takken van lage struiken. Boven het nest wordt vak een kap gevlochten van omgeknikte boveneinden van de planten, zodat het broedsel beter verborgen is voor vijanden. Vaak wordt uit stengelstukken een hellend paadje van de nestrand naar het water gemaakt om de toegang tot het nest wat te vergemakkelijken. De vlakke nestkom is zelden met fijner materiaal gevoerd.

Het vrouwtje legt 7-10 eieren die weinig of geen glans hebben en grijsachtig wit tot licht zandkleurig geel zijn met vrij gelijkmatig verspreid staande, zwartbruine puntjes en vlekjes en enkele grijsviolette 'ondervlekjes'. Beide oudervogels broeden 21-24 dagen. De jongen verlaten het nest de een na de ander zodra zij na het uitkomen opgedroogd zijn. Het mannetje begeleidt ze dan zolang totdat alle eieren zijn uitgekomen. Dan houden beide vogels zich bezig met het grootbrengen van de jongen. Soms hebben ze drie broedsels per jaar. De jongen van het eerste broedsel helpen soms bij het grootbrengen van die uit het tweede broedsel.

Maak jouw eigen website met JouwWeb