Noordse Stern
(sterna paradisaea)
De Noordse Stern verschilt van de Visdief door de kortere bloedrode snavel, zonder zwarte punt in de zomer, de kortere poten in zit, de kortere buitenste staartpennen, de grijzere hals en borst (minder contrasterend met de grijze bovendelen en meer met de witte wangen), alleen de buitenste handpennen hebben smalle zwarte toppen en de handpenbases zijn doorschijnend bij tegenlicht. Het portlandica-type (1ste-zomer) komt vaker in Europa voor. Juvenielen hebben een zwarte snavel, een grijzig getinte voorhoofd en mantel en hebben in zit een minder opvallende zwarte schouder en in de vlucht geen donkere armpenbaan.
Zijn roep is hoger dan die van de Visdief.
De Noordse Stern en de Visdief zitten vaak in dezelfde kolonies, in het binnenland alleen in toendra. In de winter voornamelijk op zee.
In Nederland (en België incidenteel) een broedvogel en doortrekker.
L 33-35 / SW 75-85 / BD
Nest
De Noordse Stern duikt tegen eind april weer op na een lange reis en bezet de oude nestplaatsen weer. Bij terugkeer is reeds gepaard. De baltstijd begint en na twee tot drie weken beginnen zij te nestelen. Soms vestigen ze zich ook in het binnenland aan meren en rivieren en broeden in het hoge noorden meestal op de binnenlandse toendra's. Het grootste deel van de broedkolonies ligt aan de kust. De Noordse Stern zoekt meestal vlakke zand- en modderbanken op of vlakten met stenen in de onmiddellijke nabijheid van de zee. Ze geven de voorkeur aan plaatsen die met laag gras of andere dergelijke vegetatie begroeid is. In de kolonie, waarbij hij vaak met andere sterns nestelt, zijn hun nesten onsamenhangend verspreid, veel meer dan bijvoorbeeld de nesten van de Visdief.
De nestkuiltjes hebben een doorsnede van 10 cm, ze zijn vaak zo vlak dat zij nauwelijks te onderscheiden zijn van de omgeving. De eieren worden meestal zo op de grond gelegd, bekleding ontbreekt vaak, soms is er spaarzaam gebruik gemaakt van wat plantestengels, zeegras en kleine schelpjes en steentjes. Op rotsige bodem gebruiken ze ook mos voor bekleding dat zij vaak van ver halen.
Het vrouwtje legt meestal 2 eieren die in kleur vrijwel gelijk zijn aan die van de Visdief. De grondkleur is grijs-, bruin- of olijfkleurig met zwartbruine vlekken, die vaak in elkaar overvloeien. De broedtijd is van mei tot in juni. Beide partners broeden, het vrouwtje vaker dan het mannetje. De broedtijd duurt 21-22 dagen. Evenals andere sterns heeft de Noordse Stern slechts 1 legsel per jaar.
Maak jouw eigen website met JouwWeb