Alpensneeuwhoen

(lagopus mutus)

 

De Alpensneeuwhoen is net als de Moerassneeuwhoen vrijwel geheel wit in de winter. Hij heeft drie kleden: In de zomer zijn de bovendelen grijsbruin (donker gevlekt bij de haan, meer roodbruin bij de hen), de vleugels grotendeel wit, vooral opvallend in de vlucht. In de herfst worden beide geslachten, maar vooral de haan, grijzer van boven. In de winter zijn ze geheel wit, uitgezonderd de zwarte staart. Beide geslachten met een in kleurintensiteit en omvang variërende rode lel boven het oog, het opvallendst bij het mannetje. Hij verschilt van de iets grotere Moerassneeuwhoen door de minder dikke snavel, zwaarder bevederde tenen een een zwarte teugel bij de haan in winterkleed.

Zijn roep is een schor krakend urk-urk en karr-ikrikrrikrrkrr. Ook een korte kraaiende baltsroep.

Bergen en toendra, meestal ruim boven de boomgrens.

 

L 34-36 / SW 54-60