Fazant

(phasianus colchicus)

 

De Fazant is de enige inheemse wilde fazant van het gebied. De veelkleurige haan heeft een metaalgroene kop en hals en een grote rode lel rond het oog. Hennen en juvenielen zijn bruin met donkere vlekken.

Hij vliegt vaak luidruchtig en loodrecht op bij verstoring.

De haan kraait luid krassend kor-kok, vaak tegelijk vleugelsnorrend. Beide geslachten hebben een kakelend kuttuk-kuttuk bij het opvliegen. Juvenielen hebben een dubbel goudvinkachtig gepiep met een krakende derde toon.

Beboste bergvalleien, tamarisk en andere struiken, rietvelden.

 

L 53-89 / SW 70-90

Nest

 

De Fazant kent geen paren, maar één haan heeft enkele hennen. De broedzorgen en de verzorging van de jongen blijft daarom een taak van de hennen.

Het nest is een vlakke nestkom op de grond, vaak onder de takken van het struikgewas of onder grote bladeren, grashalmen, brandnetels en andere kruiden verstopt. Heel soms midden in het bouwland. Het ligt vrijwel altijd zo dat het vrouwtje in geval van gevaar een redelijke kans heeft zonder moeilijkheden het nest te verlaten. De nestkom is slechts spaarzaam met droge grashalmen en bladeren bekleed.

Het vrouwtje legt 8-15 eieren, jonge hennen leggen minder eieren dan oudere hennen. De eieren zijn olijfkleurig geel tot olijfbruin, soms grijsblauw, grijsgroen of grijswit, en een beetje ovaal met veel glans. Het vrouwtje begint pas nadat het laatste ei is gelegd met broeden. Het broeden duurt 23-26 dagen. De jongen worden niet gevoerd. Ze gaan direct na het uitkomen onder leiding en bescherming van de moeder naar gunstige voedselplaatsen.