Kuifeend
(aythya fuligula)
Het mannetje heeft contrasterende witte flanken en zwarte bovendelen. Het is de enige eend met een lange afhangende kuif. Het vrouwtje is bruinig, met een korte kuif, soms met een smalle witte band bij de snavelbasis of een witte anaalstreek (minder opvallend dan bij de Witoogeend. Juvenielen zijn als het vrouwtje. De snavel is blauwgrijs, de iris geel. Ze hebben een witte vleugelstreep.
Stilstaand of langzaam stromend zoetwater, in broedtijd met oevervegetatie. In de winter ook vaak op plassen en meren met kale oevers, soms op kustwateren.
Algemeen.
L 40-47 / SW 67-73 / BJ
Nest
Het nest ligt meestal in de nabijheid van stilstaand en weinig stromend water of geschikte plaatsen aan de zeekust. Vooral langs oevers die begroeid zijn met riet, zegge, russen en rietgras en door bomen en struiken schaduwrijk zijn, in verschillende Europese steden ook bij meren en vijvers van parken. Ook nestelen ze wel eens midden in of aan de rand van een meeuwen- of sternkolonie, gebruik makend van de bijzondere waakzaamheid van deze vogels.
Het nest is klein en uit droge plantedelen samengesteld. De nestkom bestaat uit ter plaatse gevonden plantaardig materiaal en later met roetkleurig-zwartbruin dons bekleedt. Het dons heeft een nauwelijks zichtbare lichte vlek en is donkerder dan bij de Tafeleend. Het nest is meestal uitstekend verborgen tussen de moerasvegetatie, onder struiken en soms tussen het lange gras op het open veld, steeds op vaste grond (eilandjes, dammen, walletjes) of op drijftillen en riet- en zeggepollen. Meestal binnen 100 meter van het water verwijderd. Op eilandjes kunnen soms meerdere nesten bij elkaar liggen.
Het volledige legsel bestaat uit 8-10 tot zelfs 12 groenachtige eieren. Wanneer er meer eieren in een nest worden aangetroffen zijn deze meestal afkomstig van meerdere vrouwtjes.
Maak jouw eigen website met JouwWeb