Witkopgors
(emberiza leucocephalos)
Het mannetje heeft in de zomer een uniek koppatroon met een witte kruin, wangvlek, halsband en borstvlek en een kastanjebruine wenkbrauwstreep en keel. De onderborst en flanken zijn kastanjebruin gevlekt, de stuit is kastanjebruin. Het mannetje is in de winter valer met donkere kruinstreepjes. Het vrouwtje is grijzer dan het vrouwtje van de Geelgors, zonder geel en met een witte buik en witte handpenranden.
In een smalle zone in W-Siberië hybridiseren de Witkopgors en de Geelgors. Deze hybriden zijn ook in Europa vastgesteld, en de vrouwtjes zijn soms in het veld niet te onderscheiden van de Witkopgors of Geelgors.
Zijn zang lijkt op die van de Vink.
Open bossen, struikvegetaties, akkers, langs wegen en bij zoetwater.
In Europa een dwaalgast, ook in Nederland.
L 17 / SW 25-30 / Z
Maak jouw eigen website met JouwWeb