Boomklever

(sitta europaea)

 

Dit is de meest algemene en verspreide boomklever en in het grootste deel van het gebied de enige langs de boomstammen kruipende vogel met een lange rechte snavel. Hij heeft geen wenkbrauwstreep, de onderdelen variëren van wit in het noorden tot diep oranjebruin in het westen en zuiden. Juvenielen zijn valer.

De ondersoort europaea (Scandinavië, N-Rusland) heeft witte onderdelen.

De ondersoorten caesia (C-Europa) en caucasica (Kaukasus) hebben diep oranjebruine onderdelen.

De ondersoorten hispaniensis (Iberische Schiereiland ten zuiden van de Pyreneeën en Cantabrië, Marokko) en levantina (Turkije, Levant) hebben licht geelbruine onderdelen.

De ondersoort persicus (Zagrosgebergte, ZW-Iran) heeft licht roomkleurige onderdelen, een witte keel en lichtgrijze bovendelen.

Zijn zang is een luide, snelle herhaling van een fluitend twie of tjuu of pie. Zijn roep is o.a. een herhaald twiet-twiet of twiet-it-it en een sissend tsirrup, als een Staartmees.

In tegenstelling tot de Rotsklever altijd bij en in bomen in bossen, parken, tuinen. In de winter vaak samen met mezen, ook op voertafels. Hij beitelt in spleten geklemde hazelnoten open met de snavel.

In Nederland en België een standvogel.

 

L 14 / SW 22,5-27 / BJ

Nest

 

De Boomklever nestelt in loof- en gemengd bos en soms ook in naaldbos. Ook veel in oude parken, verwaarloosde tuinen, op begraafplaatsen en op buitenplaatsen. In het begin van het voorjaar begint het mannetje met luid roepen zijn territorium aan te geven, waar hij het gehele jaar in de omgeving blijft en iedere indringer wegjaagt.

Hij gebruikt vaak oude spechtenholen. De vliegopening daarvan is vrij groot, het vrouwtje maakt deze ingang nauwer met behulp van leem of klei, vermengd met speeksel totdat het zover is dichtgemetseld dat zij er zelf nog net door kan. Ook broeden ze in muurgaten, Oeverzwaluwpijpen, in de onderbouw van een Eksternest of in de zijkant van een hooimijt. Ook maakt hij gebruik van nestkastjes, vooral die van houtbeton. Ook nestkastjes worden bij de ingang met leem of klei beplakt. Dit metselwerk duurt vaak 14 dagen en veel werk hiervan is nutteloos. Het vrouwtje metselt bijvoorbeeld ook een stuk boven de vliegopening en verlengt daarmee de ingang tot een gang. Deze bouwsels kunnen soms 3-5 kg wegen. Meestal bouwt het vrouwtje tijdens het metselen ook aan het nest, maar eigenlijk is het geen nest, maar een hoopje dat bestaat uit bastsplinters en -schilfers en dorre, liefst beuken- of eikenbladeren. Hij gebruikt bij voorkeur de schilfers van dennen.

Van eind april tot in juli legt het vrouwtje 6-8 eieren. Ze hebben op de melkwitte ondergrond, meer of minder dicht gevlekt, meestal grote roodbruine tot kastanjebruine vlekken en enkele grijsviolette 'ondervlekken'. Aan de stompe pool hebben de vlekken neiging tot verdichting. Het vrouwtje begint met broeden nadat het laatste of het voorlaatste ei is gelegd en blijft met kleine onderbrekingen tot het uitkomen van de jongen, na 15-18 dagen, op het nest zitten. De jongen worden door beide ouders vrij lang gevoerd, 23-24 dagen. Als zij de nestholte verlaten kunnen ze vliegen. De ouders verzorgen hen nog 8-10 dagen tot zij geheel zelfstandig zijn.

Maak jouw eigen website met JouwWeb