Boomkruiper

(certhia brachydactyla)

 

De Boomkruiper is vaak moeilijk in het veld te onderscheiden van de Taigaboomkruiper, behalve door het geluid en de biotoop. Hij is meestal donkerder en grijsbruiner van boven en vuilwit van onder met een bruinachtige waas op de flanken en onderbuik. De wenkbrauwstreep is vuilwit.

Zijn zang is korter, luider en minder trillend, tie-tie-tiedero-wiet. Zijn roep is tsrie (als de Taigaboomkruiper) en een kenmerkend luid, kort, soms herhaald tiet.

Loofbossen, parken, tuinen. In het Middellandse Zeegebied ook in naaldbossen.

In Nederland en België een talrijke standvogel.

 

L 12,5 / SW 17-20,5 / BJ

Nest

 

De Boomkruiper nestelt vooral in loofhoutbegroeiingen, het liefst in oude bomen met grote, opengebarsten schors. Naast bossen nestelt hij ook op buitenplaatsen, parken, begraafplaatsen en waar zich boomgroepen bevinden, op plaatsen waar hoogopgaand hout te vinden is.

Het nest ligt meestal in spleten van bomen, achter loszittende baststroken, klimopranken, afvoerpijpen, achter latwerk van tuinhuisjes en schuurtjes, in nestkastjes, knotwilgen, in heksenbezems of onder dakpannen. Het nest is steeds aangepast aan de plaats waar het gebouwd is. Het 10-16 cm hoog. Als het op een onderlaag rust kan het plat zijn. De zijkanten zijn meestal uitgedrukt. Het nest is een vrij slordige hoop van droge takjes, halmen, bast en insectenspinsel. De nestkom is zacht gevoerd met veren. Het ligt ongeveer 2 m boven de grond, in veel gevallen ook hoger.

Hij broedt waarschijnlijk maar eenmaal per jaar, van april tot in juni. Het vrouwtje legt 6-7, bij uitzondering tot 12 eieren, die van melk- tot enigszins grijsachtig wit zijn, met meer of minder grote, roodbruine en bruinrode vlekjes die vooral aan het stompe einde neiging hebben tot kransvorming, en met violetgrijze 'ondervlekken'. Het vrouwtje broedt alleen terwijl ze door het mannetje wordt gevoerd. De broedtijd duurt 15 dagen en het groot brengen van de jongen duurt ongeveer 16 dagen en wordt ook voornamelijk door het vrouwtje gedaan.