Wilde Eend
(anas platyrhynchos)
Dit is de grootste zwemeend, de talrijkste en meest verbreide eend. Tamme eenden zijn van deze soort afgeleid.
Het mannetje heeft een glanzend groene kop (soms met een paarse glans vlak voor de rui), een smalle witte halsband en een donker paarsbruine borst. De snavel is altijd geel. Het speculum is blauw met een witte begrenzing. De snavel van het vrouwtje is oranje-achtig met een variabele donkergrijze vlekking, van juvenielen roodachtig. Volledige en gedeeltelijke albino's komen frequent voor, vooral in de omgeving van gedomesticeerde populaties in dorpen en steden. Wilde Eenden hybridiseren vaak met gedomesticeerde eenden.
Alleen het vrouwtje laat het bekende gekwaak horen, de roep van het mannetje is een zachter kweerk.
In stilstaand of langzaam stromend zoetwater, in de winter ook op estuaria en langs de kust.
L 51-62 / SW 81-98 / BJ
Nest
Hij broedt in de nabijheid van water de oeverkanten wat rust en bescherming bieden. Vaak meren, plassen, poelen, moerassen, vennen, dode rivierarmen. Het nest bevindt zich in het hoge gras, in rietvelden, op het open veld, onder struiken en soms in holen (konijnenpijpen), maar ook in holle bomen, op knotwilgen, op torens en ruïnes, in oude nesten van kraaien of stootvogels of in door de mens aangebrachte rietkorven. Het kan soms enkele kilometers van het dichtstbijzijnde water zijn gelegen. Het vrouwtje vergezelt in dat geval de uitgekomen jongen lopend naar open water en doet dit met veel zorg waarbij zij alle obstakels onderweg probeert te omzeilen. De woerd bekommert zich niet meer om het broedsel na geholpen te hebben bij het zoeken van een gunstige broedplaats.
Nesten die zich op de grond bevinden bestaan uit droge plantedelen en hebben een mooi gevormde nestkom. Het nestmateriaal wordt in de omgeving van het nest verzameld. Tijdens het broeden wordt de nestkom met dons bekleed die uit de borst getrokken wordt. Het dons neemt na verloop van tijd zo toe dat er een hele krans van dons rond het nest ontstaat. Zolang het broedsel nog niet volledig is, bedekt ze het nest met nestmateriaal als zij het voor een korte tijd verlaat.
Het volledige legsel bestaat uit 7-12 grijsgroene of olijfkleurige eieren. De eieren worden 24-28 dagen bebroed door het vrouwtje. Kort na het uitkomen brengt de moeder haar jongen naar het dichtstbijzijnde gelegen water, waar zij van waterplanten leven.
Maak jouw eigen website met JouwWeb