Wulp

(numenius arquatus)

 

De Wulp is de grootste en algemeenste bruine steltloper met een witte stuit. De grootte is zeer variabel, maar meestal is hij zo groot als een Kleine Mantelmeeuw. Juvenielen hebben een kortere snavel en zijn meer geelbruin. In het voorjaar is de snavel donkerder en het verenkleed vaak goud-geelbruin. Onvolwassen mannetjes hebben (eind zomer) een zeer korte snavel.

Hij heeft gevarieerde geluiden, o.a. een luid koerlie, de alarmroep is een snel kwi-kwi-kwi. Ook heeft hij een zelden gehoorde Regenwulpachtige triller. Hij heeft een luide muzikale zangvlucht met versnellende, jodelende en fluitende tonen.

Zijn vlucht is vrij zwaar, meeuwachtig.

Hoogvenen, natte heidevelden, duinen, vochtige graslanden. In de winter in groepen, aan stranden, in wasgebieden en in het binnenland op bouwland.

In Nederland en België het gehele jaar aanwezig.

 

L 50-60 / SW 80-100 / BJ

Nest

 

De Wulp nestelt daar waar er water in de onmiddellijke nabijheid te vinden is op in verhoudingsgewijs droge plaatsen. Er bestaan ook gevallen waarbij het nest zich op een zandige bodem met slechts spaarzame begroeiing bevindt, bijvoorbeeld in de buurt van de kust. Op de broedplaatsen zijn vaak meerdere paren. Gedurende de broedtijd laten zij een prachtige baltsvlucht zien.

De Wulp broedt in een eenvoudig kuiltje op de grond, meestal op plaatsen waar vandaan hij een goed overzicht van het terrein heeft. Het baltsende paar draait met het lichaam meestal meerdere nestkuiltjes, van welke er slechts één wordt gebruikt. Deze heeft een doorsnede van ongeveer 20 cm en in in meerdere of mindere mate met droge plantestengels bekleed.

Het vrouwtje legt in de regel 4 eieren, soms meer en soms minder, met tussenpozen van 1-3 dagen. De eieren hebben een olijfkleurige groene, -gele, -bruine of grijze ondergrond en zijn meestal met niet grote vlekken in diverse nuances van bruin gekleurd. De vlekken bevinden zich voornamelijk aan het dikke einde en hebben de neiging tot kransvorming. Beide vogels broeden in totaal 26-28 dagen. De jongen lopen snel na het uitkomen in de omgeving rond en kunnen zich wanneer er gevaar dreigt bijzonder goed in de begroeiing verstoppen. In zo'n geval vliegen de ouders angstig rond de indringer en doen hun best zich opmerkzaam te maken door onophoudelijk te roepen en het gevaar weg te lokken.