Tureluur

(tringa totanus)

 

De Tureluur is de enige steltloper met een brede witte vleugelachterrand. Samen met de witte rugwig opvallend in de vlucht. Hij heeft geen witte wenkbrauwstreep, de kop en bovendelen zijn grijsbruin gespikkeld, de onderdelen zijn lichter. De snavel en poten zijn oranjerood.

Ze zijn zeer luidruchtig en hebben vele roepen: tjuu-luu of tjuu-luu-luu en een scheldend alarmerend tuuk-tuuk. De zang begint met tjuu en versnelt dan met een jodelend herhalend toe-wie-die.

Hij heeft een snelle vlucht met snelle stijve vleugelslagen.

Kwelders, vochtige heides, graslanden. In de winter vooral langs de kust, tijdens de trek ook aan zoetwater.

In Nederland een algemene (in België een schaarse) broedvogel, en doortrekker en wintergast.

 

L 27-29 / SW 59-66 / BJ

Nest

 

Lang voor het vrouwtje begint met eieren leggen zoekt het mannetje een vochtige plaats op, beschut door gras en rietgras, voor een plekje om te nestelen en maakt meestal een diepe kom in het gras, die het vrouwtje met fijne plantedelen zoals grasjes, stengels, worteldraden e.d. bekleedt. Vaak bieden gras- en rietgrashalmen over het nest heen een soort van dakje, waardoor het nest ook van boven volledig bedekt is. Het nest is zeer moeilijk te vinden. Geheel open liggende nesten zoals bij de Kievit komen ook voor.

Het vrouwtje legt 4 kleine, glanzende eieren, van april tot in juni, bij uitzondering nog in juli (vervangingslegsel als de eerste broedpoging is mislukt). De eieren hebben een gevarieerde ondergrond van roomkleurig-, grijs-, groen- of bruinachtig geel tot diep okerbruingeel en warm zandkleurig bruin met grote en kleinere, onregelmatig gevormde meer of minder dicht opeenstaande, purper-, roest-, rood- en donker-chocoladebruine vlekken, haaltjes en stippen. Mannetjes en vrouwtjes bebroeden de eieren samen 22-25 dagen en brengen ook de jongen gezamenlijk groot.

Maak jouw eigen website met JouwWeb