Visdief

(sterna hirundo)

 

Dit is de algemeenste stern. Hij verschilt van de Noordse Stern door de langere snavel, met zwarte punt in de zomer (in de winter bij beide zwart), de langere poten. De hals, borst en onderdelen zijn wit (contrasterend met de grijze bovendelen en niet met de wangen). Alle handpennen hebben van onder zwarte toppen, maar alleen de bases van de binnenste zijn doorschijnend. De buitenste handpennen vormen een donkere wig in de vleugel. Het portlandica-type (1st-zomer) is zelden in Europa en houdt in de zomer het witte winter-voorhoofd. Juvenielen hebben een lichte rozeachtige snavelbasis, oranje poten, een wit voorhoofd, een bruinige tint op de kruin, een bruine tekening op de mantel, in zit een opvallende donkere schouder en in de vlucht een donkere voorvleugelrand en donkere armpenbaan.

Zijn roep is schril en schel, kierrrie-kierrrie, krrie-jah of kik-kik-kik.

Kusten en bij zoetwater in het binnenland. In de winter langs kusten.

In Nederland (talrijk) en België een broedvogel en doortrekker.

 

L 31-35 / SW 77-98 / BD

Nest

 

De Visdief broedt aan de oevers van stilstaand en stromend binnenwater. Aan de zeekust broeden zij vaak in de buurt van riviermonden of in lagunen. Meestal bevinden de broedkolonies zich op modder- of zandbanken vrijwel op dezelfde hoogte als de waterspiegel. Bij stijging van het water gebeurt het daarom vaak dat zo'n hele broedplaats onder water loopt. Vaak ook dienen eilanden met spaarzame, lage begroeiing als broedplaats. Ook broeden ze bij meren, poelen, heideplassen, rivieren en kanalen. Soms ook in weilanden. Vaak worden dezelfde broedkolonies jaren lang gebruikt, zelfstandige kolonies of samen met andere sterns en meeuwen, maar toch in geïsoleerde groepen. Soms broeden ze ook solitair.

Tijdens de balts holt het mannetje een paar nestkuiltjes met het lichaam uit, waarvan het vrouwtje er een uitzoekt om de eieren in te leggen. Het nest is zeer bescheiden en spaarzaam bekleed met gras- en andere plantestengels en schelpjes. In vochtig land kan de bouw van het nest soms een hoogte van 20 cm bereiken.

Het vrouwtje legt in de tweede helft van mei of begin juni ongeveer 3 eieren, zelden 2 of 5. Deze zijn lichtgroen- of blauwachtig wit tot koffie- en olijfkleurig, soms groenachtig bruin. De tekening bestaat uit kleine en grotere meer of minder dicht opeenstaande, donker- tot zwartbruine vlekken, die regelmatig over de gehele schaal verdeeld zijn of in hoofdzaak aan het stompe eind voorkomen. Zoals bij de meeste sterns wordt er overwegend door het vrouwtje gebroed. De jongen komen na 20-23 dagen uit en zijn al na enige uren in staat om het nest te verlaten, waarna zij zich verstoppen in de omgeving. De eerste dagen keren ze nog wel weer naar het nest terug, na 30 dagen kunnen ze vliegen. Hierna blijven de oudervogels de jongen nog voeren tot hun vertrek eind augustus-begin oktober.

Maak jouw eigen website met JouwWeb