Wintertaling
(anas crecca)
De Wintertaling is de kleinste als broedvogel voorkomende eend van het gebied. Het mannetje heeft een kastanjebruine kop met een opvallende brede groene door geelbruine lijnen omzoomde streep. Zwemmende of rustende vogels zijn op afstand te herkennen aan de horizontale witte streep boven de flank en de gele vlek aan de stuitzijde. Het vrouwtjes is als een miniatuur vrouwtje Wilde Eend, maar met zwart en groen speculum, een lichte vlek aan de staartbasis, een witte buik en een grijze snavel en poten. Juvenielen zijn als het vouwtje maar de snavel is rozig. Het mannetje in eclipskleed is donkerder dan het vrouwtje en heeft een onopvallend niet-vrijstaand oog.
Hij vliegt snel, steltloperachtig, vaak in compacte groepen.
De roep van het mannetje is en kenmerkend kriek-kriek of kruuk-kruuk, van het vrouwtje een korte hoge kwaak. Groepen baltsende vogels in het voorjaar veroorzaken een koor van bellende geluiden.
Hij broedt aan stilstaand of langzaam stromend zoetwater met dichte vegetatie aan de waterkant en in moerassen en vennen. In de winter op zoetwater, ondiepe kustwateren en estuaria.
In Nederland en België een algemene broedvogel en talrijke doortrekker en wintergast.
L 34-38 / SW 58-64 / BJ
Nest
De Wintertaling broedt in dezelfde gebieden als de Wilde Eend, zolang de oeverbegroeiing haar voldoende dekking biedt en waar zich stilstaand water bevindt. Ze broeden ook op kleine plassen en vennen midden in de bossen. Het nest bevindt zich in de omgeving of aan de rand van het water, vaak verborgen onder de takken van lage bosjes. Ze nestelen bij voorkeur op kleine eilandjes.
Het nest is gewoonlijk goed verborgen en bestaat uit een vrij compacte massa heide-, gras- en andere plantenstengels, dorre bladeren of dood varenloof en vertoont een duidelijke kom. Het vrouwtje maakt het nest uit materiaal dat zij uit de omgeving van het nest aantreft. Ze vormt met de borst een diepe, gelijkmatige kom en bekleedt deze met fijne droge plantedelen. Zoals alle eenden brengt ze in het nest donker-roetbruin dons aan, waadoor een luchtige, zachte krans rond het nest ontstaat.
Het legsel bestaat uit 8-10 roomkleurige, lichtgele eieren. De eieren worden ongeveer 21-23 dagen bebroed door het vrouwtje. Kort na het uitkomen brengt de moeder haar jongen naar het dichtstbijzijnde gelegen water, waar zij van waterplanten leven. De jongen worden niet gevoerd. Het vrouwtje houdt zich met de jongen overdag tussen de waterplanten verborgen en laat zich alleen 's morgens vroeg en tegen zonsondergang op open watervlaken zien. De jongen verzamelen ijverig waterinsekten en andere kleine waterdieren aan het wateroppervlak.
Maak jouw eigen website met JouwWeb