Wespendief

(permis apivorus)

 

De Wespendief heeft langere en smallere vleugels en staart, een langere hals, een kleinere 'duifachtige' kop en een zwakkere snavel dan de Buizerd. Het kleed is variabel. De adult heeft drie dwarsbanden op de lichte staart, 2 bij de basis en 1 bij het uiteinde, en drie dwarsbanden over de lichte ondervleugel. Juvenielen hebben een regelmatigere staartbandering.

In zweefvlucht worden de vleugels horizontaal gehouden, in de glijvlucht licht omlaaggebogen met een opgewipte vleugelpunt. Hij bidt, vooral tijdens de balts.

Zijn roep in de vlucht is tweelettergrepig, hoger en minder miauwend dan de Buizerd.

Hij broedt voornamelijk in loofbossen. Hij voedt de jongen met broed en raten van uitgegraven wespen- en bijennesten.

In Nederland en België doortrekker en vrij schaarse broedvogel.

 

L 52-60 / SW 135-150