Sperwer

(accipiter nisus)

 

De Sperwer verschilt van kleine valken door de vrij korte, brede, stompe vleugels (vooral het vrouwtje) en de blauw- tot leigrijze bovendelen. De vleugels van het veel kleinere mannetje zijn iets spitser. Ze hebben opvallende gebandeerde onderdelen, bij het mannetje zijn de bandering en de wangen rossig. Ze hebben een rechte breed gebandeerde staart. De iris is geel. Het vrouwtje heeft meer wit op de kop. Juvenielen en onvolwassenen zijn bruin van boven, onregelmatig gebandeerd van onderen.

Het typische vlieggedrag tijdens de jacht omvat een snelle vlucht langs en over hagen en bosjes, of laag door bos of open terrein om de prooi te verrassen. In zweefvlucht rondcirkelend, af en toe onderbroken door enkele snelle vleugelslagen. Soms duiken ze steil omlaag met gesloten vleugels.

Zijn roep is snel en herhalend gebaseerd op kek, kieeuw of kiauw.

Bosgebieden, parken, dorpen en buitenwijken. De aanwezigheid is ook vast te stellen door de plukplaatsen.

In Nederland en België het hele jaar aanwezig, in het najaar en de winter ook doortrekkers en overwinteraars.

 

L 28-38 / SW 55-70 / BJ

Nest

 

De Sperwer nestelt het liefst daar waar kleine bossen en open stukken land elkaar afwisselen. Hij geeft de voorkeur aan naaldbossen en kiest als broedplaats fijnsparbegroeiing met beekjes in de buurt en groepen fijnsparren die door loof- en gemengd bos omringd zijn. Bij gebrek aan beter bouwt hij zijn nest in dennen, sparren of zelfs in loofbomen. 

De grootte van het nest hangt er van af of het nieuw of oud is, reeds eerder gebruikt. Vaak ook gebruikt een paartje het oude nest van een kraai, duif, Gaai en zelfs van een eekhoorn. In zo'n geval worden de nesten verbouwd. Het nest ligt direct aan de stam en is op dikke takken gebouwd. Het bouwen van een nieuw nest duurt ongeveer 15 dagen. Beide vogels nemen hieraan deel. De doorsnede bedraagt 25-40 cm, de nestkom is verhoudingsgewijs diep, namelijk 5-7 cm en in doorsnede 15-20 cm. Het uit droge takken gebouwde nest ligt ongeveer op de halve hoogte van de kroon, 3-8 meter, en is van boven goed met twijgen gecamoufleerd. De nestkom wordt meestal gevoerd met fijne twijgen, dunne schilfers, dennennaalden, mos, haren en vaak ook veertjes. Ook de Sperwer bouwt tijdens de broedtijd de nestranden uit.

Het vrouwtje legt 4-6 ovale eieren. Deze zijn blauwachtig wit en hebben donkerbruine tot chocoladebruine haaltjes, vlekjes, vlekken en vegen, die soms neiging tot krans- of kapvorming hebben en een grijsviolette 'ondervlekking'. 

Maak jouw eigen website met JouwWeb