Havik

(accipiter gentilis)

 

Het vrouwtje is zo groot als een buizerd, heeft bredere en langere vleugels en relatief een iets kortere staart dan de Sperwer. Het mannetje is soms te verwarren met een groot vrouwtje van de Sperwer, maar is zwaarder gebouwd en heeft een bredere afgeronde staart. Beide geslahcten hebben een donkere kop en een witte wenkbrauw, witte onderdelen met eeen donkere bandering en een itte onderbuik en onderstaart. Juvenielen zijn bruiner met een donkere verticale streping op de onderdelen en ondervleugel.

De ondersoort buteoides (N-Zweden tot N-Rusland) is groter en lichter, soms bijna wit.

De ondersoort arrigonii (Corsica, Sardinië) is kleiner en, vooral het vrouwtje, met een zeer donkere kopkap en zware bandering.

De ondersoort atricapillus (dwaalgast uit N-Amerika) is groter met blauwgrijze bovendelen en een donkere kopkap.

Hij heeft een snelle lage jachtvlucht. De zweefvlucht wordt vaak onderbroken door vleugelslagen.

Zijn roep is een schel ka-ka-ka-ka of khek-khek-khek-khek en, van het vrouwtje, een hees schreeuwend hie-a.

In Nederland en België voornamelijk een standvogel in bossen.

 

L 48-62 / SW 135-165 / BJ