Kievit

(vanellus vanellus)

 

De Kievit is de meest karakteristieke en de meest in het binnenland voorkomende, gekuifde plevier. Hij lijkt grotendeels zwart-wit, maar de bovendelen hebben een groene glans en de anaalstreek is oranjebruin. In de vlucht is hij herkenbaar aan de brede ronde vleugels. Zijn keel is in de zomer zwart, in de winter wit.

Zijn roep is een schel kie-wit. Tijdens de acrobatische baltsvluchten maken de vleugels een flappend geluid.

Buiten de broedtijd vertoeft hij grote groepen.

Akkers, weilanden, heides, hoogvenen. In de winter zowel bij zoetwater als op kustvlaktes en in estuaria.

In Nederland en België een algemene broedvogel, doortrekker en wintergast.

 

L 28-31 / SW 82-87 / BJ

Nest

 

Het Kievit broedt in vochtige weilanden en natte velden, maar ook in duinen, op bouwland en weiland, heide droge plekjes in moerassen en zelfs op pas gekapte hakhout-terreinen, maar water en vochtige gronden hebben voorkeur. De mannetjes voeren boven de broedplaats hun opvallende baltsvlucht uit, waarbij de meest acrobatische toeren in de lucht worden uitgevoerd. 

De plaats van het nest wordt uitgekozen door het mannetje. Het uithollen van enige vlakke nestkuiltjes is ook een onderdeel van de balts. Ze worden met het lichaam gevormd en het vrouwtje zoekt er één van uit als toekomstig nest. Dit wordt dan spaarzaam gevoerd met grashalmen of andere plantestengels uit de onmiddellijke omgeving. De nesten zijn op nat of vochtig land wat hoger en kieskeuriger opgesteld dan op droge plaatsen. Wanneer er gevaar dreigt voor overstroming worden complete nesten met plantaardig materiaal gebouwd en opgehoogd tot 15-20 cm toe.

Het vrouwtje legt 4 (zelden 5) eieren, die elk met de spitse pool naar het midden van het nest wijzen. De eieren zijn zo goed als één met hun omgeving. Ze zijn geel-olijfbruin, maar ook wel zand-, leem-, room-, isabel- en kaneelkleurig, kalkgrijsachtig en blauwachtig wit, blauw- en groengrijs, zee-, olijf- en grasgroen, groen- en donkerbruin. De tekening bestaat meestal uit kleine en grotere vlekken van een zwartbruine tot zwarte kleur, maar er komt ook grijs-, licht-, kaneel- en roodbruine vlekking voor, evenals uitsluitend punt- en adertekening. De vlekken bevinden zich in hoofdzaak of geheel aan het stompe, of aan het spitse einde, waar zij meestal een krans vormen. Soms worden er dwergeieren aangetroffen. Beide vogels houden zich met het broeden bezig, het mannetje wel aanzienlijk minder. De broedtijd is 23-26 dagen, soms langer.