Zomertortel
(streptopelia turtur)
De Zomertortel is kleiner en donkerder dan de Turkse Tortel. De bovendelen zijn zwart-kastanjebruin gevlekt en ze hebben geen halsband maar een zwart-wit getekende halsvlek. Juvenielen zijn bruiner zonder halsvlek.
De in woestijnen levende ondersoort arenicola (Balearische Eilanden, NW-Afrika, Midden-Oosten) en rufescens (Nijlvallei) zijn over het algemeen lichter en minder blauwgrijs op de kop en minder zwart op de bovendelen.
Ze hebben een snellere vlucht dan de Turkse Tortel, de gespreide staart is zwartachtig met witte randen (boven- en onderzijde).
Zijn zang is kenmerkend, een herhaald rustgevend toerr-toerr.
Open bosgebieden, struiken, heides, bouwland met verspreide bomen, palmbosjes, grote tuinen en parken. Ze foerageren vaak op kale akkers.
In Nederland en België een talrijke broedvogel en doortrekker. Hij trekt weg naar Afrika.
L 26-28 / SW 47-53 / BD
Nest
De Zomertortel broedt graag in doornstruiken, dicht naaldhout en ook wel in klimop, kamperfoelie of hopranken en aan oevers van waterpartijen en vennen als die met bomen en struiken zijn begroeid. Ook in heggen, hagen en oude tuinen.
Het nest wordt gebouwd op horizontale takken van struiken en bomen, 2-6 m boven de grond. Het is, net als bij de Houtduif, een primitieve bouw, een eenvoudig platformpje gemaakt van droge takjes, wortels of grote halmen. Ook door dit nest kan men het licht zien. De doorsnede bedraagt 20-25 cm en de hoogte 4-5 cm De nestkom is plat. Beide partners houden zich bezig met het bouwen van het nest. Vaak ook gebruiken ze als ondergrond oude nesten van andere vogels, zoals lijsters, klauwieren en dergelijke. De nestperiode is van midden mei tot in augustus. Hij broedt 2 maal per jaar.
Het legsel bevat meestal 2 eieren die gelijkmatig ovaal en witglanzend zijn. Beide oudervogels nemen deel aan het bebroeden van de eieren. De jongen komen na 14-16 dagen uit en worden, zoals bij andere duivensoorten, met een afscheiding uit de krop, de zogenaamde 'duivenmelk', gevoerd. Na ongeveer 10 dagen gaan de ouders bij het voederen geleidelijk over op plantaardig voedsel. De jongen verblijven 18-23 dagen in het nest. Bij gevaar verlaten zij echter veel eerder het nest en blijven zich dan op de takken in de omgeving van het nest ophouden. Pas na 2-3 dagen na het verlaten van het nest kunnen zij zelfstandig vliegen.
Maak jouw eigen website met JouwWeb